Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als ambtenaar bij de Dienst A, kreeg op 23 maart 2015 een voorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim. Op 12 april 2016 besloot de minister het ontslag met onmiddellijke ingang ten uitvoer te leggen. Appellant maakte op 31 mei 2016 bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellant voerde aan dat hij door medische redenen niet in staat was zijn post te openen en zijn belangen te behartigen, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. De Raad oordeelde echter dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt. De medische stukken betroffen vooral perioden vóór de bezwaartermijn en toonden niet aan dat appellant tijdens de termijn niet in staat was zijn belangen te behartigen.
Verder stelde appellant dat een rapportage van het UWV niet was voorgelegd aan de bezwaaradviescommissie, wat in strijd zou zijn met artikel 7:11 Awb Pro. De Raad stelde vast dat deze rapportage wel in de beoordeling was betrokken en dat appellant daardoor niet benadeeld was. De schending werd daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.