ECLI:NL:CRVB:2018:1539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2018
Publicatiedatum
28 mei 2018
Zaaknummer
15/2729 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Werkloosheidswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over WIA-uitkering na hoger beroep zonder aanwezigheid appellant

Appellante werkte als implementatiespecialist en meldde zich ziek in januari 2011. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf januari 2013 met een arbeidsongeschiktheid van 47,27%. Na bezwaar herzag het UWV dit besluit en concludeerde dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd ingetrokken.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking van de uitkering per 24 januari 2013, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen en maatmaninkomen onjuist waren vastgesteld.

De Raad verzocht een bedrijfsarts een advies uit te brengen, maar appellante reageerde niet op verzoeken om medewerking en verscheen niet op de zitting. Hierdoor kon geen duidelijkheid worden verkregen over haar beperkingen. De Raad oordeelde dat dit voor appellante moest blijven en bevestigde de eerdere uitspraak. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en kende geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

15.2729 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
18 maart 2015, 13/4095 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek tot vergoeding van de schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 mei 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Degelink hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. L.M. Seriese heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft nadere stukken ingezonden.
Aan de bedrijfsarts F.M. Brouwer is verzocht van advies en verslag te dienen.
Bij brief van 28 februari 2018 heeft mr. Seriese zich als gemachtigde onttrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2018. Appellante is – alhoewel daartoe bij aangetekend schrijven opgeroepen – niet verschenen. Het Uwv heeft zich – met bericht – niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante werkte laatstelijk als implementatiespecialist voor 39,72 uur per week. Op 27 januari 2011 meldde zij zich ziek vanuit de Werkloosheidswet wegens lichamelijke klachten.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2013 vastgesteld dat appellante per 24 januari 2013 en tot 29 juni 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 47,27%.
1.3.
Naar aanleiding van appellantes bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 augustus 2013 (bestreden besluit 1) het besluit van 7 januari 2013 herroepen en besloten dat appellante vanaf 24 januari 2013 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
1.4.
Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 2 september 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2) waarbij de uitkering van appellante ingevolge de Wet WIA eerst per 29 juni 2014 is beëindigd. De rechtbank heeft het beroep onder toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak – voor zover hier van belang – het ingestelde beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij appellantes uitkering met ingang van 24 januari 2013 was ingetrokken. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank bij die uitspraak ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat haar zogeheten maatmaninkomen onjuist is vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Aan de bedrijfsarts Brouwer is verzocht van verslag en advies te dienen. Deze arts heeft appellante schriftelijk verzocht een machtiging te ondertekenen ten behoeve van het inwinnen van informatie bij haar behandelend artsen. Omdat appellante niet op dit verzoek reageerde, heeft de deskundige contact gezocht met de gemachtigde van appellante met het verzoek om de machtiging door te geleiden naar appellante. Uit een brief van mr. Seriese blijkt dat ook zij – onder meer via aangetekend verzonden brieven – geen contact meer heeft kunnen krijgen met appellante. Dit was voor mr. Seriese reden zich als gemachtigde te onttrekken.
4.2.
De onder 4.1 omschreven situatie is voor de Raad reden geweest om appellante ten behoeve van het onderzoek ter zitting per aangetekend schrijven van 27 maart 2018 op te roepen om ter zitting van 16 april 2018 in persoon te verschijnen. Appellante is aldaar niet verschenen. Op 16 april 2018 is de aangetekend verzonden kennisgeving van de zitting van 16 april 2018 met als bijlage de oproeping retour gekomen, omdat dat poststuk niet kon worden bezorgd op het bij de Raad bekend zijnde – en volgens de Basisadministratie Personen ook huidige – adres van appellante en zij het stuk ook niet heeft afgehaald.
4.3.
Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. De Raad heeft in verband hiermee aanleiding gezien een deskundigenadvies te vragen. Nu appellante niet heeft gereageerd op het verzoek van de deskundige Brouwer, is dit advies niet tot stand gekomen. Dat hierdoor geen duidelijkheid over de beperkingen van appellante is kunnen ontstaan, moet voor haar rekening blijven. Hetzelfde geldt voor onbeantwoord gebleven vragen over het maatmaninkomen, nu appellante geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping ter zitting van de Raad te verschijnen. Niet gebleken is dat de aangevallen uitspraak niet in recht stand kan houden.
4.4.
Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten te worden bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen plaats.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2018.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot

OS