ECLI:NL:CRVB:2018:1546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing WIA-uitkering wegens niet-duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WIA-uitkering vanaf 1 juli 2014. Na een uitgebreid onderzoek, inclusief het inschakelen van een onafhankelijke psychiater, stelde het UWV bij een gewijzigde beslissing op bezwaar dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf die datum met een arbeidsongeschiktheid van 100%.
Appellant stelde dat hij recht had op een WIA-uitkering vanaf 19 september 2011 en dat hij vanaf 1 juli 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, wat recht zou geven op een IVA-uitkering. De Raad oordeelde dat het beroep op de ingangsdatum van 2011 en de IVA-uitkering buiten de procedure viel en niet werd beoordeeld.
De kernvraag was of appellant vanaf 1 juli 2014 duurzaam arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 4 Wet Pro WIA. Uit het rapport van de verzekeringsarts bleek dat er een redelijke kans op herstel was na behandeling van zijn depressieve en persoonlijkheidsstoornis. Daarom was geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Het beroep tegen het besluit op dit punt werd afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld tot het betalen van wettelijke rente over de nabetaalde WGA-uitkering en tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor toekenning van een WGA-uitkering vanaf 1 juli 2014, maar het beroep op IVA-uitkering wegens duurzame arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen.