Uitspraak
16.4415 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding dat op haar adres een bedrijf was gevestigd, stelde de sociale recherche een onderzoek in. Hieruit bleek dat appellante sinds 20 maart 2013 gevolmachtigde was van een commanditaire vennootschap die op haar adres was ingeschreven.
Appellante verscheen niet op uitnodigingen voor gesprekken en verstrekte geen nadere financiële gegevens over het bedrijf. Het dagelijks bestuur trok daarom de bijstand met ingang van 29 december 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, PW in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 20 maart 2013 tot en met 28 december 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen inkomsten had uit de werkzaamheden en dat de bankafschriften voldoende waren om het recht op bijstand vast te stellen. De Raad oordeelde dat de door appellante verrichte activiteiten als bedrijfsmatige werkzaamheden moeten worden aangemerkt en dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden.
Omdat appellante geen objectieve en verifieerbare gegevens over de omvang van haar activiteiten en inkomsten heeft verstrekt, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de terugvordering van €31.148,88. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van €31.148,88 worden bevestigd wegens niet-melding van bedrijfsmatige activiteiten.