ECLI:NL:CRVB:2018:1591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling bijstandsaanvraag wegens niet tijdig aanleveren gegevens
Appellant diende op 4 augustus 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het college verzocht appellant meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften en WW-besluiten, binnen gestelde termijnen aan te leveren. Appellant reageerde niet tijdig, mede doordat hij zich in het buitenland bevond en geen derde had ingeschakeld om zijn belangen te behartigen.
Het college stelde de aanvraag op 15 september 2014 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde aan dat hij al op 17 april 2014 een afgeronde aanvraag had ingediend en dat hij mocht vertrouwen op toekenning van bijstand, mede omdat hij was geplaatst in een BBL-traject.
De Raad oordeelde dat uit de stukken niet bleek dat er een afgeronde aanvraag was op 17 april 2014 en dat er geen gerechtvaardigde verwachting bestond dat bijstand zou worden toegekend. Ook was het niet aannemelijk dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig kon aanleveren vanwege zijn verblijf in Marokko, aangezien hij geen derde had ingeschakeld en de hersteltermijn van tien dagen voldoende was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.