Appellant ontving bijstand vanaf februari 2013 en stond vanaf september 2013 ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant mogelijk niet op dat adres woonde en trok de bijstand in, vorderde kosten terug en legde een boete op. Appellant betwistte dit en overlegde onder meer een huurovereenkomst en verklaringen die zijn woonplaats bevestigen.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende feitelijke grondslag heeft geleverd voor het besluit. De belastende verklaring van de verhuurder ontbrak in het dossier en kon niet worden geverifieerd, terwijl de door appellant overgelegde huurovereenkomst en verklaringen dit tegenspraken. Pogingen tot huisbezoek en verklaringen van derden boden onvoldoende bewijs dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot intrekking van de bijstand, terugvordering en boete over de periode van 26 september 2013 tot 25 mei 2015. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij het onderzoek niet louter mag bestaan uit het opvragen van huurbetalingen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.