ECLI:NL:CRVB:2018:167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting gebruik dienstauto voor ambulante medewerker NVWA
Appellant, werkzaam als ambulant medewerker bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), maakte gebruik van een privéauto met vergoeding. Na invoering van een regeling die dienstauto's verplicht stelt, werd appellant verplicht over te stappen op een dienstauto. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat de minister nagelaten had de bezwaren van appellant aan een tripartiete commissie voor te leggen.
De minister heeft vervolgens alsnog advies ingewonnen bij de commissie, die geen maatwerk of compensatie adviseerde. De minister handhaafde het besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat de overgangstermijn van een jaar voldoende rekening houdt met de belangen van appellant en dat de financiële vergoeding geen onderdeel van bezoldiging was. De aanwezigheid van een blackbox in de dienstauto vormt geen onaanvaardbare privacy-inbreuk omdat inzage beperkt is en privégebruik vrijwillig is. Klachten over fysieke ongemakken kunnen worden opgelost via aanpassing van de dienstauto. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan bewijs van gelijke gevallen. Ook is geen ernstig parkeerprobleem aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot gebruik van de dienstauto bevestigd.