ECLI:NL:CRVB:2018:1677
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op goedkeuring van pgb-verantwoording wegens onvoldoende specificatie betalingen
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor 2014. Over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2014 verantwoordde zij €29.200,- voor zorg verleend door een zorgverlener. Het zorgkantoor keurde een deel van deze verantwoording af, waardoor het pgb lager werd vastgesteld dan verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte niet volledig had getoetst of de verrichte activiteiten als AWBZ-zorg konden worden aangemerkt en dat een administratieve omissie niet automatisch tot een lagere pgb-vaststelling mocht leiden. Zij vorderde alsnog goedkeuring van een bedrag van €3.800,-.
Het zorgkantoor erkende dat de verleende zorg AWBZ-zorg betrof, maar stelde dat de besteding van het pgb niet kon worden vastgesteld omdat de betalingen niet herleidbaar waren tot zorg in specifieke maanden. De Centrale Raad oordeelde dat het zorgkantoor terecht de verantwoording heeft afgekeurd omdat uit de bankafschriften niet blijkt waarop de betalingen betrekking hebben. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.
De Centrale Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat de betalingen niet concreet herleidbaar zijn tot verleende zorg in specifieke maanden.