ECLI:NL:CRVB:2018:1708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over ingangsdatum IOAW-uitkering en zorgplicht college
Appellant had een IOAW-uitkering die werd beëindigd omdat zijn inkomen hoger was dan de norm voor alleenstaanden. Hij vroeg later met terugwerkende kracht een nieuwe uitkering aan vanaf 1 augustus 2015, terwijl hij zich pas op 30 oktober 2015 meldde. Het college kende de uitkering toe vanaf de datum van melding, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van een aanvraag. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende uitkering rechtvaardigen en stelde dat het college niet tekort was geschoten in zijn informatieplicht.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat het college hem niet voldoende had geïnformeerd over het opnieuw aanvragen van een uitkering. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van de uitkering en dat het college niet tekort is geschoten.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; de ingangsdatum van de IOAW-uitkering blijft 30 oktober 2015.