ECLI:NL:CRVB:2018:1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde bankrekening met vermogen boven vermogensgrens
Appellante ontving sinds oktober 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek door bijzonder controleurs van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard bleek dat appellante een bankrekening bij een Marokkaanse bank had met een saldo dat de vermogensgrens overschreed. Appellante had deze rekening niet gemeld en stelde dat het saldo toebehoorde aan haar zus en dat zij vanwege deviezenbeperkingen in Marokko niet over het geld kon beschikken.
Het dagelijks bestuur trok daarop de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante dezelfde gronden aan, maar slaagde er niet in met objectief bewijs aan te tonen dat zij niet over het tegoed kon beschikken.
De Raad oordeelde dat het saldo op een op naam gestelde bankrekening in principe tot het vermogen behoort waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken. Appellante kon niet aannemelijk maken dat het tegoed niet tot haar vermogen behoorde, mede omdat zij zelf een storting had gedaan. Ook de deviezenbeperking in Marokko werd niet voldoende onderbouwd. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde bankrekening met vermogen boven de vermogensgrens wordt bevestigd.