ECLI:NL:CRVB:2018:1728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen psychische beperkingen voor WAO-uitkering binnen vijfjaarstermijn
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na herbeoordeling in 2005 werd deze per 14 februari 2006 ingetrokken omdat zij volgens het Uwv met haar beperkingen kon werken. Appellante meldde in 2011 toegenomen psychische klachten en vroeg opnieuw een WAO-uitkering aan. Het Uwv wees dit af omdat de toename van klachten volgens verzekeringsartsen pas na februari 2011 was opgetreden, buiten de vijfjaarstermijn na intrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen objectieve medische informatie was die een eerdere toename van psychische beperkingen binnen de verzekerde periode aannemelijk maakte. In hoger beroep stelde appellante dat uit medische verklaringen en rapporten bleek dat de psychische klachten al voor februari 2011 waren toegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische stukken geen aanwijzingen bevatten voor een toename van psychische beperkingen binnen de vijfjaarstermijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had dit zorgvuldig gemotiveerd en aanvullende medische informatie leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige of voor toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.