ECLI:NL:CRVB:2018:1749
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening toekenning uitkering burger-oorlogsslachtoffers
Appellante, geboren in 1940, verzocht in 2004 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), maar dit verzoek werd in 2005 afgewezen omdat niet was gebleken dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld. In 2016 diende zij een nieuw verzoek in, dat eveneens werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat voor toekenning op grond van de Wubo vereist is dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. De medische gevolgen kunnen pas aan de orde komen als deze betrokkenheid is vastgesteld. Appellante bracht geen nieuwe feiten naar voren die de eerdere beoordeling konden wijzigen.
De Raad oordeelde dat het getuige zijn van mishandeling van haar ouders en het meemaken van huiszoekingen door de Japanners niet gelijkgesteld kan worden met directe confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling. Ook was er geen bewijs van directe betrokkenheid bij bombardementen of levensbedreigende evacuatie. De verklaringen van familieleden waren gebaseerd op horen zeggen en boden geen objectieve bevestiging.
Daarom kon het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan standhouden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard.