ECLI:NL:CRVB:2018:178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering terecht geweigerd wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich in 2009 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde in 2011 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2014 concludeerde het UWV opnieuw dat de arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat door de vastgestelde PTSS en de indicatie voor hulp bij dagelijkse verzorging zijn beperkingen zijn toegenomen, wat aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) rechtvaardigt. Het UWV handhaafde haar standpunt dat de nieuwe klachten voortkomen uit een andere ziekteoorzaak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd, waarbij ook medische informatie van behandelend specialisten was betrokken. De Raad stelde vast dat er geen objectief bewijs was voor toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat de nieuwe klachten van benen en buik niet meetellen. De PTSS was reeds in 2011 meegenomen in de beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.