ECLI:NL:CRVB:2018:1800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als kok, viel in 2009 uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde bij besluiten in 2011 en 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2014 werd opnieuw vastgesteld dat appellant niet arbeidsongeschikt genoeg was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat er destijds geen rugklachten waren en alleen psychische beperkingen waren vastgesteld. In hoger beroep stelde appellant dat er wel rugproblemen waren en dat een later vastgestelde kanaalstenose daarvan een gevolg was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden in hoger beroep overeenkwamen met eerdere gronden die terecht waren verworpen. De verzekeringsarts legde uit dat de kanaalstenose geen verband hield met eerdere rugklachten en dat appellant destijds niet voor rugklachten was behandeld. Er was geen nieuwe medische informatie die tot een andere conclusie leidde.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.