Uitspraak
16.2422 MAW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig dienstplichtige en advocaat, verzocht om een bijzondere uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid door een dienstverbandaandoening. De staatssecretaris kende een uitkering toe op basis van het gemiddelde bedrijfsresultaat in de drie jaren voorafgaand aan de ziekte, waarbij verzekeringsuitkeringen als inkomen werden betrokken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De staatssecretaris motiveerde aanvullend, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde maar het besluit in stand liet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet benadeeld is door de berekeningswijze, dat het beleid omtrent verlenging van de uitkeringstermijn niet kennelijk onredelijk is, en dat de aanwezigheid van een militair lid in de meervoudige kamer geen schending van onpartijdigheid oplevert.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraken worden bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de eerdere uitspraken worden bevestigd.