Appellante, geboren in 1934, diende meerdere verzoeken in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), die allen werden afgewezen omdat onvoldoende bewijs was voor directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld. In 2014 verzocht zij om herziening van eerdere afwijzingen, stellende dat zij getuige was geweest van mishandeling van haar moeder en broer. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
De Raad oordeelt dat het verzoek om herziening terecht is afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft ingebracht die aanleiding geven tot herziening. De vlucht en onlusten in Bandung voldeden niet aan de criteria van de Wubo. Het verzoek om inzage in het dossier van haar broer wordt afgewezen omdat dit betrekking heeft op derden en niet relevant is voor de beoordeling.
Daarnaast is de procedure vertraagd, waardoor de redelijke termijn is overschreden met ruim zeven maanden. De Raad kent appellante een schadevergoeding toe van €1.000,-, waarvan €857,14 voor rekening van verweerder komt en €142,86 voor de Staat. Tevens worden proceskosten toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.