ECLI:NL:CRVB:2018:1821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2018
Publicatiedatum
20 juni 2018
Zaaknummer
17/4523 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens niet-verwerkte griffierechtbetaling door bankstoring en medische omstandigheden

De zaak betreft een verzet tegen een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht. Appellante had haar gemachtigde op 9 augustus 2017 geïnformeerd dat zij het griffierecht had overgemaakt, maar de betaling bleek mogelijk niet verwerkt door een storing bij de ABN AMRO bank.

Appellante overlegde een rapport over bankstoringen en medische informatie waaruit blijkt dat zij door PTSS in de betreffende periode niet in staat was om te controleren of de betaling daadwerkelijk was afgeschreven. De korpschef betwistte de stellingen, maar de Raad oordeelde dat appellante niet kan worden verweten dat het griffierecht niet is voldaan.

De Raad verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en vervolgde de procedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door H.C.P. Venema op 14 juni 2018.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 juni 2018
17/4523 AW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2017, 14/5021 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 25 januari 2018 heeft de Raad het door mr. V. Dolderman namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. Dolderman verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 juni 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dolderman. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Sparreboom.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 25 januari 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 4 augustus 2017 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat het griffierecht als gevolg van een storing bij de ABN AMRO bank op 9 augustus 2017 niet is betaald. Appellante heeft op
9 augustus 2017 kort voor 20.00 uur via internetbankieren aan haar bank een betaalopdracht gegeven. Appellante verkeerde tot aan de uitspraak van de Raad van 25 januari 2018 in de veronderstelling dat de bank de betaalopdracht had verwerkt en het griffierecht (dus) was betaald. Appellante heeft onderzoek laten uitvoeren naar bankstoringen bij de ABN AMRO bank en heeft het rapport “Cyber threats & stability of digital services” overgelegd van
drs. R.J.M. Remie van 31 januari 2018. Uit dit rapport blijkt, aldus appellante, dat de ABN AMRO bank op 9 augustus 2017 te maken heeft gehad met twee storingen. Ook ten tijde van de door appellante gegeven betaalopdracht deed zich een storing voor. Daardoor is deze opdracht niet verwerkt. Appellante heeft het niet verwerken van deze betaalopdracht niet opgemerkt en verkeerde in de veronderstelling dat het griffierecht tijdig was voldaan.
Voorts heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat appellante in verband met haar beperkingen als gevolg van PTSS in de periode waarin het griffierecht moest worden betaald niet de vereiste alertheid kon opbrengen om te verifiëren of de betaalopdracht was verwerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde van appellante medische informatie van de huisarts inclusief specialistenbrieven en een brief van 5 februari 2018 van M.J.T. Boedart-l’ami, psycho-therapeut, overgelegd. Uit deze informatie blijkt onder meer dat in de periode waarin het griffierecht moest worden voldaan het korte termijn geheugen van appellante verstoord was.
De gemachtigde van de korpschef heeft ter zitting te kennen gegeven dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een opdracht tot betaling heeft verstrekt en dat er een storing was bij de ABN AMRO bank. De korpschef is van mening dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellante niet in staat is geweest om de betaling van het griffierecht na
9 augustus 2017 te checken.
De Raad is van oordeel dat het gezien de geschetste omstandigheden appellante niet kan worden verweten dat het griffierecht niet is voldaan.
De gemachtigde van appellante heeft appellante op 7 augustus 2017 per mail geattendeerd dat het griffierecht nog niet was betaald. Appellante heeft haar gemachtigde op 9 augustus 2017 bericht dat zij het griffierecht zojuist had overgemaakt. Het is niet uit te sluiten dat de betaalopdracht als gevolg van een storing bij de ABN AMRO bank niet is verwerkt. Gelet op de overgelegde medische informatie van appellante is het niet onaannemelijk te achten dat appellante niet in staat is geweest te controleren of het bedrag daadwerkelijk van haar rekening was afgeschreven. Onder deze omstandigheden kan van een situatie van kennelijke niet-ontvankelijkheid niet worden gesproken.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 25 januari 2018 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

IJ