Eiseres vordert erkenning van aansprakelijkheid wegens buitenrechtspositionele schade door PTSS veroorzaakt tijdens haar politiewerk. Verweerder weigert aansprakelijkheid te erkennen, stellende dat het zorgbeleid en de nazorg voldoende waren.
De rechtbank verwijst naar eerdere tussenuitspraken en stelt vast dat verweerder het vereiste van buitensporigheid heeft laten vallen en causaliteit tussen werk en PTSS erkent. De kernvraag is of verweerder zijn zorgplicht heeft nageleefd.
Verweerder toont aan dat sinds 1990 algemeen zorgbeleid bestond bij de werkgever, inclusief bedrijfsopvang conform het Handboek Bedrijfsopvang Politie Haaglanden, dat voldeed aan de toenmalige wetenschappelijke inzichten. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat dit beleid ontoereikend was.
Hoewel aanvankelijk onvoldoende bewijs was dat nazorg daadwerkelijk was aangeboden, heeft verweerder dit gebrek hersteld met een brief waarin wordt aangetoond dat bedrijfsopvang is aangeboden na relevante incidenten. Oud-collega's bevestigen dit. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende nazorg heeft geboden en de zorgplicht niet heeft geschonden.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek dat inmiddels is hersteld, verklaart het beroep gegrond, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.