Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet. Na onderzoek door een handhavingsspecialist werd een huisbezoek gepland om de woon- en leefsituatie te verifiëren. Tijdens een gesprek op 12 november 2015 gaf appellant aan eerst zijn woning te moeten opruimen en weigerde direct medewerking aan het huisbezoek te verlenen.
Het college wees de aanvraag af wegens het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond centraal of er een redelijke grond was voor het huisbezoek en of een zwaarwegend belang het onmiddellijke huisbezoek verhinderde.
De Raad oordeelde dat de twijfel over de juistheid van de opgegeven leefsituatie een redelijke grond vormde voor het huisbezoek. Het verzoek van appellant om eerst op te ruimen werd niet als zwaarwegend belang erkend. De weigering tot medewerking was daarmee onrechtmatig, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen.