ECLI:NL:CRVB:2018:1858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant meldde zich in 2004 ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving vanaf 2007 een WGA-uitkering, later omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. In 2014 vond een herbeoordeling plaats op verzoek van de werkgever, waarbij de verzekeringsarts beperkingen vaststelde op basis van psychische klachten, schildklierproblemen en andere aandoeningen. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop het Uwv in 2015 besloot de uitkering te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat gedeeltelijk werd gehonoreerd door het Uwv, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat niet alle klachten juist waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden gehandeld, alle relevante medische informatie hadden betrokken en dat er geen reden was tot twijfel aan hun conclusies.
De Raad nam ook de aanvullende medische informatie van internist, cardioloog en psycholoog mee, maar vond dat deze geen aanleiding gaf tot herziening van het oordeel over de beperkingen. De arbeidsdeskundige had bovendien overtuigend gemotiveerd dat appellant de functies kon vervullen die aan de beoordeling ten grondslag lagen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.