ECLI:NL:CRVB:2018:1859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar per 18 augustus 2015 geen WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV baseerde dit besluit op medische rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet tot meer beperkingen leidden dan aangenomen.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door het UWV waren onderschat, met name wat betreft urenbeperking en fysieke beperkingen zoals reiken en lopen. De Centrale Raad van Beroep heeft dit betoog getoetst aan de beschikbare medische informatie, waaronder rapporten van neuroloog en internist-nefroloog, en concludeerde dat de beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad oordeelde dat de nieuwe omstandigheden na de datum in geding, zoals een opvlamming van SLE, een herseninfarct en een ongeval, geen rol konden spelen bij de beoordeling van de situatie op de datum in kwestie. De geschiktheid van appellante voor diverse functies werd bevestigd, evenals het opleidingsniveau dat als maatstaf diende. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering aan appellante.