ECLI:NL:CRVB:2018:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidsdeskundige toetsing
Appellant, werkzaam als detentietoezichthouder, viel in 2011 uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde in 2014 na medisch onderzoek een arbeidsongeschiktheid van 28% vast en weigerde een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit na aanvullende medische rapporten en arbeidsdeskundige beoordelingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten waren onderschat, onder meer met verwijzing naar medische brieven en een vrijstelling van arbeidsverplichting onder de Participatiewet.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV de beperkingen adequaat heeft vastgesteld, rekening houdend met psychische aandoeningen zoals PTSS en lichamelijke klachten. De vrijstelling onder de Participatiewet is niet relevant voor de WIA-beoordeling en medische documenten na de peildatum leiden niet tot wijziging. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.