ECLI:NL:CRVB:2018:1891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldige medische herbeoordeling
Appellante was werkzaam als callcentermedewerkster en meldde zich ziek wegens rug- en spanningsklachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe, die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellante vanaf 17 februari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij een verzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanpaste met aanvullende beperkingen. Desondanks bleef het UWV bij haar standpunt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en onvoldoende medische onderbouwing bestond voor de door appellante geclaimde zwaardere beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij in psychisch opzicht zwaarder beperkt was en dat de rechtbank ten onrechte geen waarde hechtte aan het rapport van verzekeringsarts Mentink. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat er geen sprake was van onderrapportage en dat de medische grondslag van het besluit standhield. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden volgens de FML van 28 juli 2015 en dat de arbeidskundige gronden van het UWV voldoende waren onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.