ECLI:NL:CRVB:2018:1902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkeringsweigering na bedrijfsongeval en geschil over medische beperkingen
Appellant, een distributiemedewerker, meldde zich ziek met klachten aan de linkerschouder na een bedrijfsongeval in 2009. Na meerdere operaties en medisch onderzoek stelde het Uwv vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering per 15 november 2013.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het Uwv onvoldoende onderzoek had gedaan, onder meer door geen functional capacity evaluation (FCE) te laten uitvoeren en onvoldoende rekening te houden met zijn beperkingen, waaronder klachten aan de vingers, rug en risico op overbelasting van de rechterarm. Het Uwv handhaafde het besluit op basis van aanvullende medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het Uwv niet verplicht was een FCE-onderzoek te laten doen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verzocht om schadevergoeding wegens het onrechtmatige besluit.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische beoordeling was zorgvuldig, inclusief dossierstudie, anamnese en lichamelijk onderzoek. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was adequaat en gebaseerd op medisch onderzoek en deskundigenrapporten. Nieuwe medische informatie leidde niet tot een ander oordeel. De geselecteerde voorbeeldfuncties waren medisch passend. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.