ECLI:NL:CRVB:2018:1903
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-AWBZ-zorg
In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het beroep van appellante tegen een besluit van het Zorgkantoor ongegrond werd verklaard. Het Zorgkantoor had het persoonsgebonden budget (pgb) voor 2013 vastgesteld op €3.715 en een bedrag van €11.558 teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat appellante niet had voldaan aan de verplichting om uitsluitend giraal te betalen en dat de opgevoerde kosten voor begeleiding niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat het geen AWBZ-zorg betrof.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat de stelling dat de verleende zorg wel onder het pgb valt onvoldoende is om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Ook het argument dat contante betalingen niet verweten kunnen worden, faalt omdat de afwijzing van de kosten niet op de betalingswijze is gebaseerd, maar op het ontbreken van AWBZ-zorg. Verder miskent appellante haar eigen verantwoordelijkheid als budgethouder om het pgb correct te besteden en de juiste zorg in te kopen.
Ten slotte oordeelt de Raad dat het Zorgkantoor redelijk heeft gehandeld bij de terugvordering, waarbij rekening gehouden moet worden met de beslagvrije voet. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb bevestigd.