Uitspraak
16.507 WIA
OVERWEGINGEN
stoornisgeruime tijd na de datum in geding is gesteld.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig buurtconciërge, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde het besluit wegens wijziging van de arbeidskundige grondslag maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder een paniekstoornis met agorafobie, onderschat zijn en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad onderzocht ambtshalve het procesverloop en constateerde dat de rechtbank niet correct handelde bij het achterwege laten van een nadere zitting, maar besloot de zaak zonder terugwijzing af te doen.
De Raad oordeelde dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de klachten zorgvuldig beoordeeld en rekening gehouden met beperkingen zoals vluchtreacties. De visie van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Wijers werd niet gevolgd vanwege gebrek aan directe beoordeling. Ook de verklaring van psychiater Erkut leidde niet tot twijfel aan belastbaarheid.
Gezien de lage frequentie van angstaanvallen en voldoende medische informatie in het dossier was benoeming van een deskundige niet nodig. De arbeidsdeskundige achtte appellant geschikt voor diverse functies met voldoende vertredingsmogelijkheden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant onvoldoende arbeidsongeschikt is voor een WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.