Uitspraak
16.5022 WIA
OVERWEGINGEN
28 juli 2015 de behandeling van de schouderklachten nog steeds voortduurde, kon de verzekeringsarts zich op het standpunt stellen dat de functionele mogelijkheden nog konden toenemen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij per 2 maart 2015 geen recht heeft op een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA. De werkgever had bezwaar gemaakt en een hogere mate van arbeidsongeschiktheid laten vaststellen, maar de rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en oordeelde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam is vanwege een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en dat een eventuele verbetering van zijn belastbaarheid niet automatisch leidt tot meer arbeidsmogelijkheden. Het UWV handhaafde het standpunt dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.
De Raad overwoog dat duurzaam betekent dat de medische situatie stabiel of verslechterend is, dan wel dat er weinig kans op herstel is. De verzekeringsarts had op de datum in geding een concrete en deugdelijke inschatting gemaakt dat de functionele mogelijkheden van appellant door therapie kunnen toenemen. De Raad vond de rapporten van de verzekeringsartsen voldoende onderbouwing voor het oordeel van het UWV en wees de argumenten van appellant af. De Centrale Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.