ECLI:NL:CRVB:2018:1922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juni 2018
Publicatiedatum
28 juni 2018
Zaaknummer
16/849 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 5 BWDEFArt. 116 lid 1 BardArt. 122 BardArt. 8:57 AwbWet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling leeftijdsgrens bovenwettelijke uitkering bij overtolligheidsontslag burgerambtenaren defensie

Betrokkenen, burgerambtenaren bij het Ministerie van Defensie, kregen overtolligheidsontslag met een bovenwettelijke uitkering op grond van het BWDEF die eindigt op de eerste dag van de maand volgend op hun 65e verjaardag. De rechtbank vernietigde deze besluiten wegens verboden onderscheid naar leeftijd en beval nieuwe besluitvorming zonder toepassing van artikel 2, vijfde lid, BWDEF.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte dit artikel buiten toepassing stelde. Artikel 2, vijfde lid, BWDEF sluit uitdrukkelijk aan bij de pensioengerechtigde leeftijd zoals omschreven in artikel 122 Bard Pro. Appellant heeft een zekere beleidsvrijheid om het gebrek van verboden leeftijdsdiscriminatie op rechtvaardige wijze te herstellen.

De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat artikel 2, vijfde lid, BWDEF buiten toepassing verklaart, en bevestigt de rest van de uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.J.M. Heijs op 28 juni 2018.

Uitkomst: Het oordeel van de rechtbank dat artikel 2, vijfde lid, BWDEF buiten toepassing moet blijven wordt vernietigd; het recht op uitkering eindigt bij pensioengerechtigde leeftijd.

Uitspraak

16.849 AW, 16/869 AW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van
23 december 2015, 15/1591 en 15/1405 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (appellant)
[betrokkene 1] te [woonplaats 1] en [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkenen)
Datum uitspraak: 28 juni 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. M.C.W.C van Zon een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkenen waren als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hen is met ingang van 1 maart 2015 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016. Bij besluiten van verschillende data heeft appellant aan betrokkenen op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF) een bovenwettelijke uitkering toegekend en daarbij bepaald dat die eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Bij besluiten van verschillende data (bestreden besluiten) heeft appellant de hiertegen gemaakte bezwaren van betrokkenen ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank – met bepalingen over proceskosten en griffierecht – de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd wegens verboden onderscheid naar leeftijd en appellant opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraken.
3. Appellant heeft zich, voor zover thans nog van belang, op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant betwist niet langer dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkenen een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Volgens appellant heeft de rechtbank echter ten onrechte geoordeeld dat artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF buiten toepassing dient te blijven, voor zover daarin is bepaald dat het recht op een aansluitende uitkering eindigt op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Appellant heeft er hiertoe op gewezen dat uit artikel 1 van Pro het BWDEF volgt dat onder pensioengerechtigde leeftijd de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van Pro het Bard wordt verstaan.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Voor de einddatum van de uitkering bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF is immers uitdrukkelijk aangesloten bij de in artikel 122 van Pro het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar. Verder heeft appellant vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek – het verboden onderscheid naar leeftijd – op een rechtens houdbare wijze te herstellen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit niet mogelijk is zonder artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF (deels) buiten toepassing te laten, is dat oordeel onjuist. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover in de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:527, is overwogen.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF buiten toepassing dient te blijven, voor zover daarin is bepaald dat het recht op een aansluitende uitkering eindigt op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat
artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF buiten toepassing dient te blijven voor zover daarin is
bepaald dat het recht op de aansluitende uitkering eindigt op de dag waarop betrokkene de
pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
- bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel

RH