ECLI:NL:CRVB:2018:1937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-uitkeringsaanvraag wegens niet verschijnen en onduidelijke woon- en leefsituatie
Appellant diende op 10 september 2014 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de IOAW, waarbij hij een woonadres opgaf. Het college van burgemeester en wethouders van Almere stelde een onderzoek in naar zijn woon- en leefsituatie. Bij een onaangekondigd huisbezoek op het opgegeven adres werd appellant niet aangetroffen, maar een medebewoner verklaarde dat appellant niet in de woning sliep. Appellant werd uitgenodigd voor gesprekken op 22 en 24 oktober 2014, maar verscheen niet.
Het college stelde de aanvraag buiten behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant geen gehoor gaf aan de uitnodigingen. Na intrekking van het eerste besluit werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard omdat appellant zijn inlichtingenverplichting niet nakwam, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellant de ontvangst van de uitnodigingen, maar de Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat de uitnodigingen op het opgegeven adres waren bezorgd. Door het niet verschijnen op de gesprekken bleef de woon- en leefsituatie onduidelijk, waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een IOAW-uitkering wordt afgewezen vanwege het niet verschijnen op gesprekken en het niet kunnen vaststellen van de woon- en leefsituatie.