ECLI:NL:CRVB:2018:1980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlate aanvraag WAZ-uitkering zonder bijzonder geval
Appellant diende op 2 maart 2015 een aanvraag in voor een WAZ-uitkering wegens sinds 1997 bestaande heupklachten. Het Uwv kende de uitkering toe met ingang van 6 maart 2014, één jaar voor de datum van aanvraag. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat hij door PTSS niet eerder kon aanvragen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de medische onderbouwing onvoldoende was en er geen bewijs was van ernstige psychische problematiek die eerdere aanvraag onmogelijk maakte. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling en overhandigde een brief van de huisarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 36 WAZ Pro de uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de aanvraagdatum, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Dit is alleen het geval als de verzekerde redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Uit de medische gegevens bleek echter geen psychisch onvermogen om eerder aan te vragen. Ook de brief van de huisarts bood geen aanwijzingen voor een bijzonder geval.
De Raad concludeerde dat appellant wel in staat was een bijstandsuitkering aan te vragen, wat het ontbreken van psychisch onvermogen ondersteunt. Daarom werd het besluit van het Uwv bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijzonder geval is voor een eerdere ingangsdatum van de WAZ-uitkering.