ECLI:NL:CRVB:2018:2006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete en intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waar zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met C, met wie zij een kind had. Na een anonieme melding startte het college een onderzoek dat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van het benadelingsbedrag, alsmede een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, stellende dat C geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat getuigenverklaringen en eigen verklaringen dit niet bevestigden.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf wordt bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De verklaringen van appellante, getuigen en de waarnemingen tijdens het huisbezoek boden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De door appellante overgelegde verklaringen werden als onvoldoende concreet en inconsistent beoordeeld.
De boete werd als proportioneel en passend beoordeeld, gelet op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. De Raad bevestigde daarom de bestreden uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de opgelegde boete wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding.