ECLI:NL:CRVB:2018:204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende inzicht in relevante feiten en financiële omstandigheden
Appellante ontving sinds 2009 bijstand en werd in 2013 onderzocht vanwege een vermoeden dat zij een partner met inkomen in huis had. Onderzoek bracht betalingen aan het licht voor schilderwerkzaamheden aan een woning in Suriname, waarvan onduidelijk bleef wie de eigenaar was. Appellante verklaarde dat het geld van haar tante was en zij als tussenpersoon fungeerde.
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand in 2014 in en stelde een nieuwe aanvraag buiten behandeling wegens het niet overleggen van gevraagde bewijsstukken. Later besloot het college inhoudelijk op de aanvraag en wees deze af vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel recht had op bijstand en verwees naar verklaringen en stukken van haar tante. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende controleerbare en verifieerbare informatie had verstrekt over het eigendom van de woning, de reden van de betalingen en de herkomst van het geld, mede door tegenstrijdigheden in adressen en onduidelijkheid over eigenaarschap.
De Raad bevestigde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is afgewezen wegens onvoldoende inzicht in relevante feiten en financiële omstandigheden.