ECLI:NL:CRVB:2018:2055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bovenwettelijke werkloosheidsuitkering na herroeping ontslag
Appellant was sinds 1990 in vaste dienst bij de gemeente en kreeg in 2010 ontslag. Dit ontslag werd in 2014 herroepen door de Raad. Vervolgens vorderde het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een bedrag van €14.785,- terug dat appellant ten onrechte had ontvangen als bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWW) over de periode van 2011 tot 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad heeft het college niet gevolgd in haar standpunt dat de terugvordering uitsluitend op grond van een gemeentelijke regeling kon plaatsvinden, maar baseerde de bevoegdheid tot terugvordering op artikel 116a van de Ambtenarenwet.
De Raad overwoog dat het rechtszekerheidsbeginsel en de belangenafweging zich niet verzetten tegen terugvordering van bedragen die zijn uitgekeerd voordat de onverschuldigdheid duidelijk was. De zogenaamde zes-maandenjurisprudentie is hier niet van toepassing omdat sprake is van een wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht door de herroeping van het ontslag.
De Raad concludeerde dat het college bevoegd was om de BWW terug te vorderen binnen twee jaar na de herroeping van het ontslag en dat de eerste terugvorderingshandeling in oktober 2015 plaatsvond. Er was geen reden om het besluit tot terugvordering terughoudend te toetsen of te vernietigen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot terugvordering van de onterecht ontvangen bovenwettelijke werkloosheidsuitkering.