ECLI:NL:CRVB:2018:2086

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
10 juli 2018
Zaaknummer
17/988 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen contante inkomsten ouders

Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de Participatiewet. In het kader van een heronderzoek heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015, omdat appellant inkomsten uit contante bijdragen van zijn ouders niet had gemeld.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij maandelijks contante bedragen van zijn ouders ontving, wat werd ondersteund door een verklaring van zijn moeder. Desondanks heeft appellant de omvang van deze inkomsten niet inzichtelijk kunnen maken met objectieve en verifieerbare gegevens.

De Raad oordeelde dat het niet melden van deze inkomsten een schending van de inlichtingenverplichting vormt en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op bijstand over de betreffende periode. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd omdat appellant de omvang van verzwegen contante inkomsten niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Uitspraak

17.988 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
21 december 2016, 16/3850 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W. Breure, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.M. Welten, kantoorgenoot van mr. Breure. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 17 maart 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet.
1.2.
In het kader van het project ‘Heronderzoek PW 2015’ heeft het college appellant bij brief van 23 oktober 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 26 oktober 2015 en hem verzocht om onder meer de afschriften van alle in bezit zijnde bank- en spaarrekeningen van de laatste drie maanden. Naar aanleiding van de door appellant overgelegde gegevens tijdens het gesprek op 26 oktober 2015 heeft het college dezelfde dag, bij brief, appellant gevraagd om de afschriften van zijn ING-rekening over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 juli 2015 te overleggen. Appellant heeft hieraan gevolg gegeven.
1.3.
Bij besluit van 21 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 oktober 2014 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2014 tot en met
31 december 2015 tot een bedrag van € 15.601,05 van appellant teruggevorderd. Aan deze besluitvorming ligt, kort gezegd, ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van door hem genoten inkomsten, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 oktober 2014 tot en met
21 december 2015 (te beoordelen periode).
4.2.
Appellant heeft ter zitting herhaald dat hij in de te beoordelen periode maandelijks een geldbedrag in contanten van zijn ouders heeft ontvangen om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Die verklaring van appellant vindt steun in de in hoger beroep overgelegde verklaring van de moeder van appellant, inhoudende dat hij drie à vier keer in de week bij haar eet en zij hem voor de rest van de week geld meegeeft. Door van deze inkomstenbron geen mededeling te doen aan het college, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.3.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.4.
Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft de omvang van de inkomsten op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Appellant heeft wel gesteld dat de inkomsten zo'n
€ 100,- à € 150,- per maand zouden bedragen, maar hij heeft die stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) F. Demiroǧlu
ew