ECLI:NL:CRVB:2018:2087

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
10 juli 2018
Zaaknummer
16/6412 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 4:98 AwbArt. 4:102 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vergoeding van schade wegens vertraging nabetaling bijstand

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, die door het college van burgemeester en wethouders van Groningen werd ingetrokken per 1 september 2014. Na intrekking en terugvordering volgde een boete. Later trok het college deze besluiten in en herstelde de bijstand, maar appellant had in de tussenliggende periode schade geleden door het niet ontvangen van bijstand.

Appellant verzocht om vergoeding van deze schade, onder meer vanwege betalingsachterstanden en beëindiging van budgetbeheer. Het college kende slechts wettelijke rente toe en wees verder schadevergoeding af. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna appellant hoger beroep instelde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de vergoeding van wettelijke rente ingevolge artikel 4:102 Awb Pro en artikel 6:119 BW Pro als volledige schadevergoeding geldt voor vertraging in de nabetaling van een geldsom. Dit betekent dat een hogere schadevergoeding niet toewijsbaar is, ook niet bij onrechtmatige besluiten. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens vertraging nabetaling bijstand wordt afgewezen; vergoeding wettelijke rente geldt als volledige schadevergoeding.

Uitspraak

16.6412 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 september 2016, 15/4706 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meis
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Grommers
.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Bij besluiten van 1 december 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2014 ingetrokken en de kosten van bijstand over de maand september 2014 tot een bedrag van € 179,40 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 1 december 2014 heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 180,-.
1.2.
Op 9 januari 2015 heeft het college appellant meegedeeld de besluiten van
1 december 2014 in te trekken en de bijstand zo spoedig mogelijk te herstellen.
1.3.
Bij e-mailbericht van 22 juli 2015 heeft appellant het college verzocht om als gevolg van de onrechtmatige besluiten van 1 december 2014 de door hem geleden schade te vergoeden en nabetalingen te verrichten tot een bedrag van € 991,50. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij in de periode van september 2014 tot begin januari 2015 geen bijstand heeft ontvangen, waardoor er achterstanden zijn ontstaan in het betalen van de aanslag inkomstenbelasting en de verzekering van zijn brommer. Ook heeft hij een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen en kon hij als gevolg van het niet ontvangen van bijstand geen betalingen verrichten aan de Groningse Kredietbank (GKB), als gevolg waarvan zijn budgetbeheer bij de GKB is beëindigd
.
1.4.
Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college ‒ voor zover hier van belang ‒ aan appellant een bedrag van € 8,62 aan schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toegekend. Voor het overige heeft het college het verzoek van appellant om een schadevergoeding afgewezen.
1.5.
Bij brief van 26 november 2015 heeft appellant bij de rechtbank Noord-Nederland een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend om het college te veroordelen tot vergoeding van schade
.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat de gevorderde schadevergoeding bestaat uit schade die is ontstaan als gevolg van de vertraging in de nabetaling van een geldsom. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de beantwoording van de vraag of het college voor de hoogte van de schadevergoeding aansluiting kon zoeken bij artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en de hoogte van de schade op die manier beperken tot de wettelijke rente. Volgens appellant vindt die bepaling geen toepassing nu het hier gaat om onrechtmatige besluiten.
4.2.
Deze grond slaagt niet. Het college is teruggekomen van de besluiten van
1 december 2014, wat ertoe heeft geleid dat nabetalingen moesten plaatsvinden. Ingevolge artikel 4:102 van Pro de Awb is het college in zo'n geval wettelijke rente verschuldigd. Uit
artikel 4:98 van Pro de Awb vloeit voort dat dit de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 van Pro het BW is. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) F. Demiroǧlu

IJ