Uitspraak
16.1069 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als medewerker cliëntregistratie, meldde zich ziek in maart 2012 vanwege lichamelijke en psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in juli 2014 werd zij medisch onderzocht door een verzekeringsarts en psychiaters. De medische onderzoeken concludeerden dat er geen sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld dat arbeidsongeschiktheid boven de 35% rechtvaardigde.
Het Uwv stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees haar WIA-uitkering af. Appellante maakte bezwaar met aanvullend psychiatrisch bewijs, maar het Uwv handhaafde het besluit na herbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren ingeschat.
In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het Uwv. Nieuwe medische omstandigheden na de datum in geding werden niet meegenomen omdat deze zich na die datum voordeden. De Raad wees het verzoek tot aanhouding af en bevestigde dat appellante in staat is de geselecteerde functies te verrichten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.