Uitspraak
16.3599 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerkster, meldde zich ziek vanaf 5 november 2012 vanwege psychische klachten en had het syndroom van Marfan. Haar arbeidsovereenkomst werd op 1 maart 2013 beëindigd na instemming. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe vanaf 1 september 2014, maar weigerde een WIA-uitkering omdat zij op 1 maart 2013 niet arbeidsongeschikt was en de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht handelde, omdat medische gegevens geen aanwijzingen bevatten dat appellante op 1 maart 2013 ongeschikt was voor haar werk. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door psychosociale problematiek en druk van haar werkgever feitelijk niet kon werken en dat zij zich eerder dan februari 2014 tot een huisarts had gewend in België. Een verklaring van die huisarts over een depressie in maart 2013 werd overgelegd.
De Raad concludeerde dat de verklaring van de Belgische huisarts onvoldoende medische onderbouwing bood om ongeschiktheid op 1 maart 2013 aan te nemen. De medische gegevens en rapportages van verzekeringsartsen bevestigen dat appellante haar maatgevende arbeid kon verrichten op die datum. Daarom is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het verzoek om WIA-uitkering wordt afgewezen wegens niet vervulde wachttijd.