ECLI:NL:CRVB:2018:2158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand na uitbetaling niet opgenomen vakantiedagen
Appellant was tot 10 juni 2015 in dienst bij een werkgever en is op die datum op staande voet ontslagen. De werkgever betaalde na het dienstverband loon en een vergoeding voor niet opgenomen ADV-, TVT- en vakantie-uren uit. Appellanten vroegen bijstand aan met ingang van 4 juli 2015. Het college stelde de ingangsdatum van de bijstand vast op basis van de periode waarin de ontvangen vergoeding in het levensonderhoud kon voorzien, namelijk 24 kalenderdagen.
Appellanten betwistten de ingangsdatum en voerden aan dat het college geen rekening had gehouden met een inhouding door de werkgever wegens een schadevergoeding die appellant aan de werkgever verschuldigd zou zijn. Deze inhouding van € 2.142,40 was op de loonspecificatie vermeld, maar de reden was onduidelijk.
De Raad oordeelde dat de vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd en dat het college dit correct heeft meegenomen. De inhouding wegens schadevergoeding kon niet worden toegerekend aan de periode waarvoor bijstand werd gevraagd, omdat onvoldoende duidelijk was waarop de inhouding betrekking had. Appellanten konden daarom niet aannemelijk maken dat zij niet over voldoende middelen beschikten om tot 4 juli 2015 in levensonderhoud te voorzien.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, en wees het beroep van appellanten af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de bijstand met ingang van 4 juli 2015 terecht heeft toegekend.