ECLI:NL:CRVB:2018:2168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag scholingsvoucher wegens geen recht op WW-uitkering bij aanvang scholing
Appellant vroeg een scholingsvoucher aan op grond van de Regeling scholing en plaatsing oudere werklozen terwijl hij op het aanvraagformulier aangaf dat de startdatum van de opleiding onbekend was. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant bij aanvang van de scholing geen recht meer had op een WW-uitkering, hetgeen ook door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij aan de voorwaarden voldeed en dat hij mocht vertrouwen op toekenning van de voucher. Tevens wees hij op verwarrende informatie over de aanvraagtermijn en vroeg hij om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat volgens de Regeling het recht op een WW-uitkering op het moment van aanvang van de scholing vereist is en dat appellant dit niet had.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De verwarring over de aanvraagtermijn leidde niet tot een gunstige beoordeling. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag voor een scholingsvoucher blijft geweigerd omdat appellant bij aanvang van de scholing geen recht had op een WW-uitkering.