Appellante was werkzaam bij een GGZ-instelling en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsartsrapport vast dat zij geschikt was voor lichte arbeid en verklaarde het recht op ziekengeld per 14 november 2014 beëindigd. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Rotterdam bevestigde dit na een zorgvuldig onderzoek van de verzekeringsartsen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten, waaronder de gevolgen van familiaire mediterrane koorts en een verstandelijke beperking, onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle klachten heeft betrokken en dat de belastbaarheid van appellante in lijn is met eerdere functionele beoordelingen. De psychische belastbaarheid werd verminderd geacht, maar niet zodanig dat werken onmogelijk was.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door A.I. van der Kris op 24 januari 2018.