Uitspraak
17.7716 WW
van 25 oktober 2017, 16/6285 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering die door het Uwv bij meerdere besluiten werd herzien en teruggevorderd, met daarbij opgelegde boetes wegens schending van de inlichtingenplicht. Na een loonbeslag en een schikking in kort geding in april 2016, waarin werd afgesproken dat bezwaar mogelijk zou zijn ondanks de termijn, diende appellant op 20 april 2016 bezwaar in tegen de primaire besluiten uit 2011.
Het Uwv verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel, stellende dat uit de zittingsaantekeningen en communicatie geen toezegging bleek dat het bezwaar inhoudelijk zou worden behandeld ondanks termijnoverschrijding.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat een toezegging was gedaan tijdens de schikking, maar kon dit niet onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding rechtvaardigden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare omstandigheden.