ECLI:NL:CRVB:2018:2200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die zich wegens psychische klachten ziek meldde, kreeg van het UWV te horen dat zij vanaf 10 april 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard, waarna de rechtbank dit oordeel bevestigde op basis van een zorgvuldige medische beoordeling.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij meer beperkingen ondervond dan door het UWV werd aangenomen, onderbouwd met een rapport van Aob Compaz waarin werd gesteld dat zij niet in staat was tot werk of scholing. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de rechtbank en het UWV dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met zowel psychische als lichamelijke klachten.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de urenbeperking van 32 uur per week als preventieve indicatie kon worden gezien. Het rapport van Aob Compaz gaf geen aanleiding het standpunt over haar belastbaarheid te herzien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.