ECLI:NL:CRVB:2018:2219

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2018
Publicatiedatum
20 juli 2018
Zaaknummer
16/5074 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na medische beoordeling met beperkingen in FML

Appellant ontvangt sinds 2009 een WIA-uitkering, die in 2015 werd beëindigd na een melding van verslechterde gezondheid. Het Uwv stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch oordeel van het Uwv zorgvuldig werd bevonden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer met verwijzing naar versleten ruggenwervels, hartproblemen en vermoeidheid, en stelde dat een urenbeperking noodzakelijk was. Hij overhandigde medische stukken van diverse specialisten ter onderbouwing. Het Uwv verwees naar eerdere rapporten van verzekeringsartsen die de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende achtten.

De Raad overwoog dat de gronden in hoger beroep grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De verzekeringsartsen hadden alle relevante klachten en medische informatie betrokken en voldoende beperkingen in de FML opgenomen. De Raad vond de motivering van het Uwv overtuigend, ook omdat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor ernstiger beperkingen zoals hartfalen. De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat appellant met de beperkingen in de FML in staat is de geselecteerde lichte functies te verrichten.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het beroep en handhaving van de beëindiging van de WIA-uitkering.

Uitspraak

16.5074 WIA

Datum uitspraak: 11 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
5 juli 2016, 15/6249 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Klomp-de Wijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van twee verzekeringsartsen bezwaar en beroep ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klomp-de Wijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt sinds 5 augustus 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vanaf 5 oktober 2011 is dit een loonaanvullingsuitkering, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage 47,93 is.
1.2.
Met een wijzigingsformulier dat is ingekomen bij het Uwv op 17 maart 2015, heeft appellant gemeld dat zijn gezondheid vanaf 3 maart 2015 is verslechterd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van
21 mei 2015 de uitkering van appellant per 22 juli 2015 beëindigd.
1.3.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft alle klachten van appellant en de informatie van zijn behandelaars in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat er een discrepantie zou zijn tussen de belastingaspecten ‘zitten’ en ‘zitten tijdens het werk’. Voor een urenbeperking is, anders dan in 2013, geen reden, omdat de urenbeperking destijds verband hield met een behandeling die appellant volgde. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend geacht voor appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Er is sprake van versleten ruggenwervels. De vermoeidheid wordt veroorzaakt door de hartproblemen, zodat een urenbeperking gerechtvaardigd is. Hij kan niet de hele dag zitten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar stukken van behandelaars zoals brieven van de reumatoloog van 30 maart 2015 en 29 april 2015, een medicatieoverzicht uit 2015, informatie van de cardioloog van 16 december 2015, van de chirurg van 18 maart 2015, van de revalidatiearts van 25 augustus 2015 en van de neuroloog van 2 april 2014.
3.2.
Het Uwv heeft – onder verwijzing naar rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep van 19 december 2016 en 5 januari 2018 – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden terecht verworpen. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur psychisch en lichamelijk onderzocht en de gebruikte medicatie genoteerd. Hij heeft rekening gehouden met de aspecifieke rugpijn, de schouderklachten, de hartklachten en de slechte visus links. Hij heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen opgenomen in alle rubrieken, met name voor dynamische handelingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant ook onderzocht en informatie van de reumatoloog van 26 augustus 2015 bij de beoordeling betrokken. Hij heeft gemotiveerd uiteengezet dat in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. Ook op de in hoger beroep overgelegde stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd. In het rapport van 5 januari 2018 heeft hij uiteengezet dat de informatie in deze stukken reeds bekend en meegewogen is dan wel niet ziet op de datum in geding, 22 juli 2015. Deze motivering acht de Raad overtuigend. De Raad voegt hieraan toe dat uit de informatie van de cardioloog blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor hartfalen of hartritmestoornissen. Een pompfunctie van 60% is goed. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij pas in 2016, dus na de datum in geding, morfine is gaan gebruiken. In de FML zijn veel beperkingen opgenomen, die betrekking hebben op alle aandoeningen waaraan appellant lijdt. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ook wat betreft het zitten en een urenbeperking sluit de Raad zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen.
4.2.
Met deze beperkingen moet appellant in staat worden geacht de voor hem geselecteerde functies te verrichten. Het gaat om lichte functies waarin niet de hele dag aaneengesloten hoeft te worden gezeten, niet zwaar hoeft te worden getild en niet langdurig boven schouderhoogte hoeft te worden gewerkt.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep dus terecht ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) B. Dogan

RB