ECLI:NL:CRVB:2018:2221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep WWB-besluit
Appellante had bijzondere bijstand aangevraagd voor school- en sportkosten van haar minderjarige kinderen, maar het college wees dit af vanwege haar niet-rechtmatig verblijf in Nederland. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat internationale verdragsbepalingen haar recht op bijstand gaven, maar zij gaf later aan geen belang meer te hebben bij inhoudelijke beoordeling. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het geschil beperkte zich tot een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad stelde vast dat de procedure van bezwaar tot uitspraak hoger beroep ruim negen jaar duurde, terwijl een redelijke termijn voor een drie-instantieprocedure in dit soort zaken maximaal vier jaar is. De overschrijding van ruim vijf jaar vond plaats in de hoger beroepsfase.
De Raad kende appellante daarom een schadevergoeding van €6.000 toe, gebaseerd op een vergoeding van €500 per half jaar overschrijding. Een hoger bedrag werd niet toegekend omdat de spanning en frustratie voortvloeien uit het uitblijven van een rechterlijke uitspraak, ongeacht de inhoud van de aanvraag. De Staat werd tevens veroordeeld in de proceskosten van appellante ten bedrage van €250,50.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en appellante krijgt een schadevergoeding van €6.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.