ECLI:NL:CRVB:2018:2227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid en recht op ziekengeld
Appellante, werkzaam als huishoudelijke hulp, meldde zich op 19 mei 2014 ziek met fysieke en psychische klachten en ontving een Ww-uitkering. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling stelde het UWV bij besluit van 23 april 2015 vast dat zij vanaf 19 juni 2015 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij met passend werk meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vond het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat, onderbouwd met medicatiegegevens en rapporten waaruit een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken en schizofrenie bleek vanaf augustus 2016.
De Raad oordeelde dat deze latere diagnose geen terugwerkende kracht had naar de datum in geding, 19 juni 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op die datum geen actueel ernstig psychiatrisch beeld vastgesteld en de belastbaarheid correct ingeschat. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante vanaf 19 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.