ECLI:NL:CRVB:2018:2256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2018
Publicatiedatum
25 juli 2018
Zaaknummer
17-6835 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ingetrokken maatregel bijstand

Appellanten waren in beroep gegaan tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarbij hun bijstand inclusief vakantiegeld over mei 2016 met 100% was verlaagd gedurende één maand. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft het college op 5 juni 2018 een nader besluit genomen waarbij de opgelegde maatregel werd ingetrokken en appellanten een bedrag van € 958,76 over mei 2016 werd nabetaald. Hierdoor is het geschil feitelijk opgelost.

Appellanten gaven aan dat zij met dit besluit hun doel hadden bereikt en alleen nog een uitspraak wensten over de proceskostenvergoeding. De Raad oordeelde dat appellanten geen belang meer hadden bij het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

De Raad veroordeelde het college tot betaling van de proceskosten van appellanten, bestaande uit drie punten à € 501,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 170,-. De uitspraak werd gedaan door F. Hoogendijk en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na intrekking van de maatregel en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

17.6835 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
8 september 2017, 17/1292 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft op 5 juni 2018 een nader besluit genomen. Appellanten hebben een reactie ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor zover hier van belang heeft het college bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 12 juli 2016, waarbij bij wijze van maatregel de bijstand van appellanten inclusief vakantiegeld vanaf 1 mei 2016 is verlaagd met 100% gedurende één maand, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Bij besluit van 5 juni 2018 heeft het college de opgelegde maatregel ingetrokken en appellanten over de maand mei 2016 een bedrag van € 958,76 nabetaald.
4. Appellanten hebben te kennen gegeven dat aan hun wensen is tegemoetgekomen en dat zij een uitspraak wensen dat het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Onderwerp van geschil in deze zaak betreft de opgelegde maatregel over de maand mei 2016. Het college is gezien het overwogene onder 3 en 4 geheel aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dat het nadere besluit niet in het geding wordt betrokken. Appellanten hebben geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep. Appellanten hebben met het hoger beroep bereikt wat zij hebben nagestreefd. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
6. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten in beroep (2 punten) en in hoger beroep (1 punt) wegens verleende rechtsbijstand, in totaal tot een bedrag van 3 maal € 501,-, oftewel € 1.503,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.503,-;
- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) F. Dinleyici
ew