Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig militair bij de Koninklijke Marine, kreeg in 2009 geen invaliditeitspensioen toegekend vanwege een invaliditeitspercentage van minder dan 10%. Na een herbeoordeling in 2013 werd een invaliditeitspercentage van 20% vastgesteld, met ingang van 2011. In 2014 vond een periodieke herbeoordeling plaats, waarna het invaliditeitspercentage van 20% werd gehandhaafd en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% werd toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een hoger invaliditeitspercentage en geen toestemming gaf voor het opvragen van medische gegevens. In hoger beroep betoogde appellante dat de medische keuringen niet correct waren uitgevoerd en dat niet de juiste WPC-codes waren toegepast, maar deze bezwaren werden verworpen. Het rapport waarop het besluit berust, bleek zorgvuldig en consistent.
De Raad oordeelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet gelijkgesteld kan worden aan het invaliditeitspercentage voor het militair invaliditeitspensioen en dat appellante onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk WPC-nummer volgens haar van toepassing zou moeten zijn. Ook werd het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, aangezien de totale procedure binnen de aanvaardbare termijn was afgerond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd met handhaving van het invaliditeitspercentage van 20% en toekenning van een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%.