ECLI:NL:CRVB:2018:2281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding eigen bijdrage huishoudelijke hulp en redelijke termijn in Wmo-zaak
Appellante, met een dienstverband bij Defensie en een toegekend militair invaliditeitspensioen, verzocht om vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp vanaf 3 januari 2011. De staatssecretaris kende vergoeding toe voor de eigen bijdrage van huishoudelijke hulp via Careyn (Wmo) in de periode van 10 september 2012 tot 12 september 2014, maar wees vergoeding voor particuliere hulp af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante geen aanspraak heeft op vergoeding van particuliere hulp in de genoemde periode, omdat zij reeds hulp ontving van een instelling voor gezinsverzorging. Bovendien had zij vanaf 2009 een aanvraag kunnen indienen voor voorzieningen op grond van de Regeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers.
Verder wordt geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden, ondanks het verzoek om immateriële schadevergoeding. De totale procedure duurde ruim drie jaar en vijf maanden vanaf het bezwaarschrift, wat binnen de norm valt. Het verzoek om vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van vergoeding voor particuliere huishoudelijke hulp en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.