Uitspraak
16.5142 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerkster, meldde zich in 2006 ziek vanwege rugklachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna later een WGA-vervolguitkering werd toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid tussen 35% en 55%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2014 handhaafde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45%, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin fysieke en psychische beperkingen en een urenbeperking van 20 uur per week waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid juist was vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name omdat het advies van de huisarts onvoldoende was betrokken en haar klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook psychische en energetische klachten waren betrokken. Het advies van de huisarts leidde niet tot een andere conclusie over de urenbeperking. Appellante bracht geen nieuwe medische informatie in die aanleiding gaf tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. Ook het arbeidsdeskundig onderzoek bevestigde dat zij de geselecteerde functies met de vastgestelde beperkingen kan vervullen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellante niet meer beperkingen heeft dan vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.