ECLI:NL:CRVB:2018:2364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording AWBZ-zorg
Appellante beschikte over een indicatie voor AWBZ-zorg en had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen. Het Zorgkantoor beëindigde dit pgb per 17 mei 2013 wegens onvoldoende verantwoording. Appellante verzocht om herziening met terugwerkende kracht tot 31 december 2014, maar het Zorgkantoor weigerde dit omdat de overgelegde zorgovereenkomst en facturen niet voldeden aan de eisen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij daadwerkelijk zorg had ontvangen en dat het ontbreken van een goede administratie niet aan haar te wijten was, mede doordat de zorgverlener niet wist hoe de administratie moest worden gevoerd en geen contact kon krijgen met het Zorgkantoor.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:35 Awb Pro bevoegd was de subsidieverlening te weigeren vanwege het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen. De discretionaire bevoegdheid van het Zorgkantoor werd niet onredelijk uitgeoefend. Het betoog van appellante dat de zorgverlener tekort was geschoten, werd niet gevolgd omdat dit voor haar eigen risico kwam.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het Zorgkantoor om appellante met terugwerkende kracht een pgb te verlenen wegens onvoldoende verantwoording.